Financiën

De eerste tranche van de rijksbijdrage uit de Impuls is in 2008 beschikbaar gekomen voor de G-31 gemeenten. De Impuls wordt gefaseerd ingevoerd door middel van tranches. Het beschikbare budget loopt in de periode 2008 t/m 2012 op. Na 2009 volgen nog drie tranches waarbij alle overige gemeenten aan de beurt komen om gebruik te maken van de Impuls. Het streven is om binnen alle Nederlandse gemeenten combinatiefuncties te realiseren.

Wie financiert?
De middelen voor de Impuls worden deels door het rijk (ca. 40%), en deels door gemeenten (ca. 60%) beschikbaar gesteld. In het eerste jaar van deelname door een gemeente financiert de rijksoverheid 100%. De rijksbijdrage is 40% omdat ermee is gerekend dat gemeenten vanaf 2008, conform de afspraken in het Bestuursakkoord Rijk-Gemeenten, de enveloppengelden onderwijs die zijn toegevoegd aan het accrès zullen aanwenden voor (onder andere) brede scholen, sport en cultuur.

Hoe en voorwaarden
De beschikbare middelen worden uitgekeerd via het gemeentefonds. In 2008 gebeurt dit met een integratie-uitkering en vanaf 2009 waarschijnlijk met een decentralisatie-uitkering.

In tegenstelling tot een specifieke uitkering (zoals bijvoorbeeld de BOS-regeling) zijn er geen voorwaarden aan de Impuls verbonden. Ook hoeft u geen aanvraag te doen en geen financiële verantwoording af te leggen bij de rijksoverheid. Uiteraard is wel verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad. Afspraken – op hoofdlijnen - over de realisering van combinatiefuncties worden gemaakt in een gemeentelijke verklaring.

Verdeelsleutel
De rijksbijdrage wordt onder gemeenten verdeeld volgens een simpele, objectieve verdeelsleutel. Omdat de Impuls zich richt op de schoolgaande jeugd in het primair en voortgezet onderwijs, is gekozen voor een verdeling volgens het aantal inwoners <18 jaar.

Co-financiering
De inzet van de gemeentelijke middelen hangt af van de goedkeuring van de gemeentebegrotingen 2009 tot en met 2012 door de gemeenteraad en het College van Gedeputeerde Staten. Mocht het niet lukken deze goedkeuring te krijgen, dan trekt de gemeente vanaf dat moment de verklaring in. De bijdrage van de rijksoverheid houdt dan op en daarmee stopt de deelname aan de Impuls.

De gemeente blijft verantwoordelijk voor de continuïteit van de middelen. Voor de co-financiering mag ook gebruik gemaakt worden van een derde geldstroom. Als deze - om welke reden dan ook - stopt, is het aan de gemeente om hier een oplossing voor te vinden. Gemeenten krijgen de ruimte om maximaal eenderde van het gemeentelijke deel (= 20% van het geheel) van de totale cofinanciering door lokale partijen te laten meefinancieren, op voorwaarde dat dit in overleg en overeenstemming met deze lokale partijen gebeurt.

Middelen
De middelen zijn structureel en bedoeld om de personele kosten (combinatiefuncties) van in totaal 2.250 fte’s te financieren. Daarbij is uitgegaan van een normbedrag per fte van € 50.000. Overige kosten zullen moeten worden betaald uit gemeentelijke middelen of door lokale partijen.